Interview with Microsoft about openness, intellectual property and innovation
Some time ago, I was asked by Koen Vervloesem, a great IT journalist for a comment on an interview he held with Dirk Tombeur, Platform Strategy Manager at Microsoft Belgium. Reason for that was my post about the definition of success back in November 2008.
Meanwhile, the interview (Dutch and French only) has been published in IT professional, but due to space restrictions, many of my comments were summarised or stripped out (understandably). For those interested, I’d like to share my whole reply on the interview (it’s only available in Dutch however):
“Openheid en bescherming intellectuele eigendom zijn belangrijk voor innovatie”
Interview met Dirk Tombeur van Microsoft
Koen Vervloesem
De conferentie Profoss heeft elk jaar verschillende thema-edities over het gebruik van open source software in de bedrijfswereld. De sprekers en andere aanwezigen komen vooral uit de open source-hoek, maar er is telkens één opvallende verschijning: Dirk Tombeur, Platform Strategy Manager bij Microsoft Belgium & Luxemburg. Hoe komt hij daar terecht?
“Zo’n twee tot drie jaar geleden ontmoette ik Raphaël Bauduin, een jonge gedreven IT’-er met een hart voor open source, die iets daarna met Profoss op de proppen kwam. Wat mij opviel was dat hij heel genuanceerd was. In die tijd was er echt een grote clash tussen Microsoft en open source, ik heb toen aan debatten deelgenomen waar het er vaak heftig aan toe ging. Raphaël is anders, en met Profoss mikt hij ook op de commerciële invulling van open source, wat voor Microsoft natuurlijk interessant is. Daarom zijn we ook Gold Sponsor van Profoss geworden. Wat mij overigens het meeste bijgebleven is van mijn bezoekjes aan Profoss is de ‘entrepreneurial spirit’ van open source mensen. Ze zoeken ook aansluiting bij de propriëtaire wereld.”
Open source
Over de levensvatbaarheid van open source bedrijven is Tombeur echter kritisch: “Red Hat is één van de weinige grote open source bedrijven die nog onafhankelijk zijn. SUSE bijvoorbeeld is opgekocht door Novell. Vroeger dacht men: we geven onze intellectuele eigendom gratis weg en verdienen ons geld wel met diensten. Als je kijkt naar de markt, gaat dat toch niet op: op dit moment is het heel moeilijk om een zuiver service-bedrijf te zijn. Landen zoals de Verenigde Staten blijven dan ook hameren op het belang van intellectuele eigendomsrechten.”
SuSE is dan wel opgekocht door Novell, maar de inkomsten rond het product blijven gegenereerd door diensten. De GPL maakt dit ook niet anders mogelijk, en toch heeft Novell hiervoor gekozen. Het toont alleen maar aan dat ook grote softwaremultinationals resoluut de kaart van de diensten beginnen te trekken. Een ander zo’n voorbeeld is Sun met Virtualbox, MySQL en Java.
Interessant is dat in deze uitspraak het woord “software” vervangen wordt door “intellectuele eigendom”. Wat is de waarde nog van software als eigendom vandaag de dag? Software is allang geen kapitaalsintensieve industrie meer.
Traditioneel waren de kosten geassocieerd met softwareontwikkeling afkomstig van arbeid, licenties, huur en computers. Op alle vlakken is de kost ongelofelijk gedrukt. Niet in het minst de arbeidskosten zijn gecontroleerd door het succes van het offshore model en bovendien zijn programmeurs vandaag productiever dan ooit. Met de gratise beschikbaarheid van welke soort van softwarebibliotheek dan ook, met miljarden pre-built cut-n-paste codevoorbeelden, met een online collectie van how-tos die met de secode groter wordt en de enorme vooruitang van de ontwikkelingsomgevingen als IDE’s kan één enkele persoon vandaag een succesvolle online applicatie ontwikkelen die door miljoenen gebruikers geconsumeerd zal worden.
De meerwaarde en “intellectuele eigendom” verschuift vandaag steeds meer van het product zelf, naar de kennis van het product en de daaraangekoppelde kwaliteitsdienstverlening.
Microsoft is zelf ook geen services-bedrijf en verdient geld met zijn licenties. Je kan dus niet zomaar verwachten dat het bedrijf bijvoorbeeld Windows open-sourcet, zoals men wel eens oppert. “Dat zou betekenen dat we onze inkomstenstroom en investeringen volledig omslaan. Stel dat we onze broncode aan de community zouden geven, hoe moet dat dan economisch werken?” vraagt Tombeur zich af.
Dat zal inderdaad niet lukken, maar wat is dan wel hun plan om hun businessmodel aan te passen aan de 21ste eeuw?
“Eén van de misvattingen is overigens dat men onze broncode niet kan inzien: Microsoft heeft source code licenties voor partners. Maar we merken wel dat er heel weinig partners zijn die effectief in onze broncode duiken. Het vereist natuurlijk heel wat kennis. De meeste ontwikkelaars gebruiken liever een open API naar onze software dan dat ze zelf in onze software moeten kijken.”
De waarde van Open Source zit hem niet zozeer in de beschikbaarheid van de code, maar in de openheid van het ontwikkelingsproces enerzijds en de 4 vrijheden die een Open Source licentie garandeert anderzijds: freedom to use, study, redistribute and improve.
Het is een onmogelijke taak om jezelf in de code te verdiepen van het resultaat van meer dan 15 jaar gesloten ontwikkeling.
Voor studenten is dat anders, merkt Tombeur op: open source geeft hen een unieke kijk onder de motorkap. “Toen ik mijn master in de informatica deed, was ik al blij als we toegang kregen tot een computer. Andrew Tanenbaum zorgde voor een revolutie toen hij MINIX schreef als illustratie bij zijn handboek ‘Operating Systems Design and Implementation’: hierdoor kon elke student de broncode van een besturingssysteem zien.”
Toen Linus Torvalds zijn op MINIX geïnspireerde Linux-kernel maakte en deze gekoppeld werd met de GNU-software van Richard Stallman, was er plots een alternatief besturingssysteem dat vrij was. “Tot dan hadden we enkel met commerciële concurrenten te maken. Vanaf toen zijn we echter beleidsmatig naar GNU/Linux gaan kijken,” aldus Tombeur. Ondertussen ondersteunt Microsoft ook heel wat open source software. Zo heeft het bedrijf een samenwerking met Zend: een team van Microsoft legt zich toe op een optimale implementatie van de PHP-taal in Windows.
Waarom heeft Zend initieel niet gekozen voor de optimalisatie van PHP op Windows, maar wel op GNU/Linux?
Volgens Tombeur is het overigens ontzettend moeilijk om een gebruikerscommunity lang gemotiveerd te houden. “Als je dan de ontwikkeling van software gaat schragen op een community van vrijwilligers, dan is het voortbestaan van dat project onzeker. Je hebt echt een stichting nodig die de ontwikeling garandeert, zoals bijvoorbeeld de Apache Foundation.” Hij verwijst naar het voorbeeld van OpenOffice.org, dat de laatste jaren heel wat minder actieve ontwikkelaars heeft. Michael Meeks, OpenOffice.org-ontwikkelaar en werknemer van Novell, pleitte daarom onlangs voor de oprichting van een stichting om de ontwikkeling van het kantoorpakket te garanderen.
Het voortbestaan van projecten is altijd onzeker, zowel die binnen een bedrijf als die op basis van vrijwilligers. Maar het voortbestaan van software is nooit onzeker bij Open Source projecten.
Neem het slechtste geval dat de ontwikkeling van OpenOffice.org gestaakt wordt door het huidige team. Dan is het slechts een kwestie van tijd en voldoende interesse voor een ander team om het werk terug op te pikken. Stopt Microsoft met de ontwikkeling van Microsoft Office worden alle klanten in hun blootje gezet.
Open standaarden
Microsoft heeft in het verleden niet altijd de kar van standaarden gespannen, maar volgens Tombeur heeft het bedrijf in 1998 een omslagmoment gehad: “Er werd toen een belangrijke corporate beslissing genomen voor de Platform Strategy Group: we moeten alle productlijnen architecturaal op elkaar aansluiten. Bill Gates was hier de drijvende kracht achter, met XML. Vanaf toen hebben we er aan gewerkt om al onze Office-bestandsformaten op een open XML-standaard te baseren. De maatschappij accepteert immers geen geslotenheid meer.”
Even duidelijk maken hier dat Bill Gates niets met de onwikkeling van XML te maken gehad heeft.
Microsoft trekt nu volgens Tombeur volop de kaart van open standaarden. “OpenXML is nu een ISO-standaard, en ook voor onze oudere protocols geven we via het MSDN-netwerk informatie vrij als gevolg van ons initiatief Open Specification Promise. Door het open maken van deze protocols gebeurt er nu ook veel community-werk op projecten zoals SharePoint. Ook in de open source wereld is er bijvoorbeeld interesse in de integratie met het Live-platform via open API’s.”
De standaard waarover sprake heet niet OpenXML (alsof traditionele XML gesloten zou zijn), maar Office Open XML.
De vraag kan gesteld worden waarom Microsoft zijn eigen open standaard heeft willen doorduwen in plaats van de reeds veel langer beschikbare Open Document Format standaard aan te nemen. De geschiedenis leert immers dat twee concurrerende (open) standaarden een bedreiging van het concept standaard zelf vormen.
Bovendien is het standaardisatieproces van Office Open XML op zijn minst zeer omstreden te noemen. Het implementeert immers andere, gesloten standaarden als DrawingML en VML (versus SVG dat wel open is), Office Math ML (versus MathML dat wel open is), etc…
Tenslotte telt de Office Open XML standaard 6546 paginas (het Open Document Format telt er 867), wat het praktisch gezien onmogelijk maakt om vendor-neutraal te zijn.
Dit alles toont aan dat Microsoft nog steeds ofwel niet doorheeft wat Open Standaarden precies inhouden of helemaal die kaart niet aan het spelen is. Integendeel zelfs.
Tombeur illustreert het belang van open standaarden met de elektriciteitsvoorziening: “Op het ogenblik dat men in Europa gekozen heeft voor een netspanning van 220 V, is er een gigantische schaalvergroting gebeurd en zijn er allerlei satellietindustrieën onstaan, zoals consumentenelektronica en huishoudtoestellen. Dat kon maar omwille van één zekerheid: dat de netspanning 220 V wisselspanning bedraagt op 60 Hz. Als er onzekerheid is over een standaard, wordt er veel minder geïnvesteerd.” De les die we uit deze geschiedenis moeten trekken is volgens Tombeur: open standaarden geven op termijn belangrijke schaalvoordelen.
Standaardisatie is overigens in alle industrieën gegroeid, alleen gaat het niet overal even snel. “Het eerste bedrijf in een industrie kiest natuurlijk zijn eigen form factor, en concurrenten doen dat vaak ook met hun eigen incompatibele form factor om marktaandeel naar zich toe te trekken. Naarmate deze industrie volwassener wordt, wordt de economische druk echter zo groot dat het voor alle partijen een meerwaarde biedt dat ze compatibel met elkaar zijn.”
Ook in de IT-sector is deze standaardisatiegolf begonnen, aldus Tombeur: “In het verleden had elke fabrikant zijn eigen standaarden: DEC, IBM, Microsoft, … Als je je eigen protocols ontwikkeld hebt, vergroot de ontwikkelkost van je software echter in elke nieuwe generatie: je moet immers telkens compatibiliteit met X andere producten invoeren. Dan is het veel goedkoper om open standaarden te volgen. Een concreet voorbeeld hiervan bij ons is dat het OpenDocument Format (ODF) native ondersteund zal worden in Microsoft Office. De IT-sector volgt gewoon wat later dan andere industrieën.”
Intellectuele eigendom en innovatie
Volgens Patrick Slaets, economisch adviseur bij Agoria-ICT, moeten we in deze evolutie naar openheid toch niet vergeten om de intellectuele eigendommen van softwarebouwers in Europa te beschermen. “Er zijn veel Europese bedrijven die in de Verenigde Staten een octrooi aanvragen, maar in Europa niet. Een voorbeeld hiervan is het Duitse SAP. We moeten wel goed nadenken over de termijn van softwareoctrooien: door software-uitvindingen niet te beschermen, rem je bedrijven af; als je het octrooi te lang laat bestaan, rem je bedrijven eveneens af. Er is dus wel een discussie hierover nodig, want software verschilt van fysieke uitvindingen.”
Software verschilt niet zo zeer van fysieke uitvindingen: het zijn implementaties van ideeën. Net als in de fysieke wereld is het zinvol om de implementaties te beschermen, maar niet de idee zelf.
Slaets neemt de gelegenheid aan om te onderstrepen dat ook de overheid en het onderwijs een belangrijke rol te spelen hebben in de bewustmaking van en de stimulatie van innovatie. “België levert heel goede informatici af, zowel de hogescholen als de universiteiten. De afgestudeerden hebben een goede methodologie aangeleerd, maar ze hebben te weinig kennis van de business en te weinig communicatievaardigheden. Waarvoor dient deze software? Hoe achterhaal ik de functionele noden? Wat kost het om een aanvaardbare kwaliteit te bereiken? Hoe communiceer ik mijn ideeën met andere ontwikkelteams? Dat zijn allemaal vragen die men zich te weinig stelt. Ze beseffen ook te weinig dat immateriële zaken ook waarde creëren en dat ideeën beschermd moeten worden. Software is een ongelooflijke groeimarkt, of het nu open source of propriëtair is, en we hebben daarvoor veel en goed opgeleide mensen nodig.”
Volgens Tombeur is de GSM-standaard het beste voorbeeld van hoe je tot innovatie kan komen in Europa: “De GSM-standaard is een enorm succes, begonnen eind jaren 1980 door een kartel van de 12 stichtende leden. Hun standpunt was: er moet één standaard komen voor mobiele telefonie, een open standaard, maar niet royalty-free. Het is een kapitaalintensieve industrie, maar je hebt door het succes van de standaard wel de garantie op een grote afname. Europese beleidsmakers zouden veel kunnen leren door naar dit model te kijken.”
De GSM-standaard is precies een voorbeeld van hoe het niet moet. Een vergelijking met een ander populair communicatieprotocol gaat hier op: TCP. TCP is een werkelijk open standaard. 10 jaar na zijn ontstaan was het zo alomtegenwoordig en had het zo ongelooflijk veel innovatie teweeggebracht, dat de meeste mensen het dagelijks gebruiken, maar zelfs niet meer weten waar het voor staat. GSM daarentegen heeft in België selchts een handvol bedrijven grootgemaakt en 10 jaar later kunnen we nog steeds niets anders dan bellen en wat berichtjes van 160 karakters sturen. Ironisch genoeg hebben we net moeten wachten op de komst van TCP naar onze mobiele toestellen om er eindelijk innovatieve toepassingen op te kunnen draaien.
Technologische en commerciële neutraliteit
Volgens Tombeur zal cloud computing aan de hele discussie een nieuwe dimensie geven: “Mensen gaan zich niet afvragen of Azure met een open source of propriëtair model ontwikkeld is. Wat ze zich wel gaan afvragen: is de dienst er als ik ze nodig heb, kan ik van dienst veranderen, kan ik twee diensten combineren, … Vrije-softwareverdedigers zoals Richard Stallman zijn volledig tegen de cloud omwille van lock-in. Maar de cloud zal ook leiden tot nieuwe businessopportuniteiten zoals brokers die je kunnen garanderen dat je binnen een bepaalde tijd je applicatie van het ene naar het andere cloud-platform kan migreren.”
Net als het Internet kan het cloudconcept enkel en alleen maar slagen als het op vrije fundamenten gebouwd is. Mensen vragen zich inderdaad niet af of pakweg GMail de e-mail RFCs correct implementeert, maar het is van belang voor alle partijen dat dit wél zo is. Ik geloof niet in een succesvolle cloud als we toestaan dat deze op een propriëtaire leest geschoeid wordt.
Slaets benadrukt nog dat we niet moeten focussen op één businessmodel: “We moeten open staan voor alle businessmodellen: open source, propriëtair, software-as-a-service, maatsoftware, … Openbare aanbestedingen moeten technologisch en commercieel neutraal zijn. Als men bijvoorbeeld zou eisen dat men enkel open source software bij de overheid gebruikt, of apparaat X of softwarepakket Y gebruikt, dan is men niet neutraal meer. Ook in het onderwijs zou dit zo moeten zijn.”
Naar mijn mening Open Source is geen businessmodel maar een distributiemodel. De eis om enkel Open Source software te gebruiken bij overheden is perfect verdedigbaar, om dezelfde reden dat met eist dat er in de officiële landstalen gewerkt wordt. Enkel zo kan neutraliteit en beschikbaarheid immers gewaarborgd zijn op lange termijn. Het onderwijs vormt een mooi voorbeeld van een instelling die zich niet mag laten verleiden tot een vendor lock-in, wat men met propriëtaire oplossingen bijna altijd heeft. Want *dan* is men niet neutraal meer.